Ik was het eerste kind dat naar groep 1 ging en niet naar de kleuterschool. Dit was meer dan 25 jaar geleden. Later werd de peuterschool toegevoegd aan de basisschool: de voorschool. Nog later werd Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE) ook in de kinderopvang geïntroduceerd en nu gaan kinderen vanaf 2,5 jaar al naar school. Deze ontwikkeling, die meer dan 25 jaar geleden is begonnen, zit nu in een enorme versnelling. Elke ontwikkeling kent voor- en tegenstanders; ik ben een voorstander (met bijsluiter).

Ik geef verschillende (VVE) trainingen in de kinderopvang en de onderbouw van de basisschool, vaak geënt op een ontwikkelingsgerichte benadering. Het beeld dat sommige mensen van VVE-programma’s hebben lijkt niet op mijn beeld. Een VVE-programma houdt volgens mij niet in dat je de hele dag woordjes stampt of op de gang lesjes aan kinderen geeft. Ben ik in Beeld bijvoorbeeld gebruikt videobegeleiding om pedagogisch medewerkers bewuster te laten worden van hun handelen, tijdens activiteiten of bij de dagelijkse verzorgingsmomenten. Elke dag zie ik dat de interactievaardigheden van pedagogisch medewerkers verbeteren door naar zichzelf te kijken. Ze krijgen meer oog voor de initiatieven van kinderen. Deze initiatieven zijn van groot belang om aan te sluiten bij de belevingswereld en behoeften van de kinderen. Wil je deze initiatieven volgen, dan is het belangrijk dat je als pedagogisch medewerker situaties creëert waarin kinderen initiatieven kunnen tonen. Je plant je dag met beleid en laat je agenda ademen, zodat spontane en vrije activiteiten kunnen ontstaan. Activiteiten die aansluiten bij de interesses en het niveau van de kinderen. Doe je dit niet, dan verander ik ook van voorstander in tegenstander. Tegenstanders hebben het over een te schoolse omgeving, voor te jonge kinderen.

Als ik een pedagogisch medewerker met een groepje kinderen aan een tafel zie zitten met een werkblad, gaan ook mijn haren recht overeind staan. Dat past niet bij de ontwikkeling en de wijze waarop jonge kinderen leren. ‘Probeer al spelend te stimuleren’, hoor ik mezelf dan zeggen, of ‘word zelf maar weer even kind’. De doelen die je stelt moeten altijd in balans zijn met de interesses en initiatieven van de kinderen. Gaan die doelen te zwaar wegen, dan forceer je en bereik je het tegenovergestelde. En zit niet de hele dag boven op de kinderen (dat lukt trouwens ook praktisch niet), maar geef ze ook voldoende ruimte om vrij te spelen. Want ook daar leren ze van. Het liefst zie ik een pedagogisch medewerker meespelen in de huishoek of samen met kinderen bij het verfbord, aan de zandtafel of in de modder. Hoe leer je een kind wat het woord ‘schil’ betekent? Door samen het fruit te schillen! Het woord ‘vies’ leer je meteen wanneer je zelf eens lekker vies mag worden. Als ik dat zie, zou ik willen dat ik vroeger ook met een VVE-programma had gewerkt toen ik nog op het kinderdagverblijf of op kleuterschool zat. In de groep bij een professional die mij verzorgt, die mij iets wil leren en tegelijkertijd kijkt naar wat ik leuk vind! Ik hoop dat jonge kinderen op een VVE locatie een pedagogisch medewerker of leerkracht hebben die weet hoe hij of zij het VVE-programma op een betekenisvolle manier moet hanteren. Met in de eerste plaats oog voor de kinderen en ruimte voor vrij spel. De kwaliteit van een onderwijsprogramma en het plezier van het kind vallen of staan met de uitvoering van de professional.

Wil je meer informatie over wat ik versta onder een ontwikkelingsgerichte benadering? Neem dan contact met mij op. Lees ook: Wat toetst zo’n toets voor kleuters? Het einde van het groepsplan in zicht? Pabo op de schop Schijnzekerheid in het onderwijs Nadenkstoel of strafstoel?

bekijk alle posters

hier

Bekijk alle artikelen

hier

Pin It on Pinterest

Share This